Als katten muizen, mauwen ze niet

Om 08.00 uur ‘s ochtends krijg ik de schrik van mijn leven. Een controle check of mijn bijnieren goed werken. Voor mijn voeten ligt een schepsel, met wijd opengesperde ogen en met de poten wijdbeens op de deurmat. Hij kijkt me aan! Al moet ik zeggen dat dit nu niet de meest relaxte positie is om de wereld te verkennen. Ik kon het me al niet voorstellen, dat je als kikker deze gedachte zou hebben. Hij is dood. Vlak achter dit treurige aangezicht zit een prachtige witte kat zich uitgebreid te wassen. Ze likt aan haar pootjes, wrijft over de neus en zodra ze ziet dat ik met haar prooi aan de haal moet, komt ze me begroeten en lijkt het even alsof ze haar vers gevangen ontbijt aan mij wil overhandigen. Uiteraard bedoelt ze dit niet, maar mijn menselijke brein maakt dat er nu graag van.

Ik had Cerefien misschien moeten vertellen dat er voor alles wat rondkruipt op aarde ik maar 1 echte angst heb en dat is uitgerekend voor kikkers. Die dingen zijn niet te voorspellen, vallen niet op en springen ineens. Schrikken, de enorme adrenaline stoot die mijn lichaam dan te verduren krijgt, is iets wat ik heel onprettig vind. Al trillend en met een iets wat blauw aangelopen hoofd omdat ik dan compleet vergeet om adem te halen, pak ik een stuk wc-papier om het diertje naar zijn laatste rustplaats te vervoeren. Even denk ik; bah, waarom doe jij ook al weer oppas aan huis voor katten in de zomervakantie?

Maar lieve mensen, eigenlijk moet ik heel blij zijn met dit stukje bewijsvoering, want hieruit kan ik concluderen dat mevrouw zich prima kan vermaken als kat. Ze kan zich voorzien in een van haar primaire levensbehoeften namelijk jagen. Mijn pech dat dit nu net een kikker moet zijn. Zo is de kans op ‘(gedrags)problemen’ aanzienlijk minder als dat ze dit niet kunnen doen. Verveling is hier niet van toepassing. Dit is waarschijnlijk ook de verklaring waarom de bank van de mensen die hun huis met de katten delen, er nog altijd piekfijn uitziet.

Daarna schuift Sucre aan bij het ontbijt dat ik kom serveren, gewoon, als verzorger of personeel, zoals katten mij mogen zien. Een lekker bakje brokjes en een zakje vlees met verspreid rond het huis nieuwe verse bakjes water. Dat water is overigens niet heel belangrijk voor haar en haar zusje, ze drinken liever uit de vijver, uit de regenton of likken nieuw vocht van de bladeren in de prachtige tuin die aan hun huis grenst.

Ik blijf altijd even een tijdje bij ze en nuttig ook hier mijn eigen ontbijt. De katten zijn al klaar met eten en komen heerlijk tegen mij aan liggen. Al spinnend en knorrend verandert mijn outfit in een ware witte haarbal. Thuis hoeft niemand te vragen waar ik vandaan kom.

Toch moet Shelley ook nog andere werkzaamheden verrichten en ik sta op. ‘Poesjes, vermaak jullie even, ik zie jullie straks weer.’ Met een blij gevoel stap ik de deur uit, ze maken het goed. Ook de katten gaan weer op stap, naar de tuin, waar het zonnetje heerlijk schijnt. Sucre gaat vlinders kijken en Cerefien rekt en strekt en slijpt haar nagels aan de grote wilg net naast het raam. Ze maakt zich klaar voor haar volgende vangst.

Als katten muizen, mauwen ze niet